Inspiratiemiddag ‘Filosoferen over kunst’

Yellow Orange, Mark Rothko 1956

Filosoferen over kunst kan op veel manieren. SLF heeft twee werkvormen ontwikkeld: het filosoferen over een kunstwerk en een socratisch gesprek naar aanleiding van een kunstbeleving. In beide werkvormen staat de kunstbeleving centraal en in beide werkvormen zijn ervaring en reflectie nauw verbonden.

Wij bieden u de mogelijkheid deze werkvormen tijdens een inspiratiemiddag te leren kennen. Zo’n middag vindt plaats in een museum of een soortgelijke inspirerende omgeving. Het programma bestaat uit twee parallelle onderdelen en een plenaire afronding. De deelnemers kiezen van tevoren of zij willen meedoen aan:

A. Filosoferen over een kunstwerk
B. Een socratisch gesprek naar aanleiding van een kunstbeleving

A. Filosoferen over een kunstwerk (120’)

Na een korte instructie gaan de deelnemers in het museum op zoek naar een kunstwerk dat hen persoonlijk aanspreekt. Zij beantwoorden schriftelijk een aantal vragen bij dat specifieke kunstwerk:

  1. Noteer de belangrijkste feiten van het kunstwerk (kunstenaar, titel, gebruikte techniek, onderwerp, grootte, kleuren, e.d.)
  2. Wat doet het kunstwerk met je? Wat roept het bij je op? Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk je beleving: gevoelens, gedachten, associaties, eventuele fantasieën.
  3. Wat gebeurde er met je toen je langer stilstond bij het kunstwerk?
  4. Wat wilde je? Zette het kunstwerk je aan tot een handeling?

De deelnemers komen weer bij elkaar en selecteren plenair een of twee kunstwerken onder leiding van een van de gespreksleiders (5’). Per kunstwerk gaat een groep aan de slag. De deelnemers gaan voor het geselecteerde kunstwerk zitten met pen en papier, en overdenken de volgende vragen en instructies:

  1. Wat zie je? Noteer een puur feitelijke beschrijving, zonder interpretatie. Na ongeveer vijf minuten lezen de deelnemers hun tekst voor, waarbij iedere volgende deelnemer probeert uitsluitend aanvullende observaties te vermelden.
  2. Wat roept het kunstwerk bij je op? Wat is volgens jou het verhaal of de betekenis ervan? Wat zegt het je? Iedere deelnemer krijgt wederom vijf minuten de tijd om zijn/haar verhaal/betekenis m.b.t. het kunstwerk te noteren.
  3. Onderzoek: wat zeggen onze antwoorden over het werk en over onszelf?
  4. Vind je het kunstwerk mooi? Zou je het willen heben?

B. Socratisch gesprek naar aanleiding van een kunstbeleving (120’)

Na een korte introductie door de gespreksleider inventariseert de groep een aantal vragen.

In de context van deze dag gaan de vragen over kunst. In een socratisch gesprek moet de vraag voldoen aan de volgende criteria:
– Het is een algemene, fundamentele vraag (niet zuiver individueel)
– Het is een relevante vraag: hij motiveert het gedrag en heeft persoonlijke betekenis voor de vragensteller
– Het is een niet-empirische vraag: hij is te beantwoorden door louter nadenken
– De vraag is eenvoudig geformuleerd
– De vraag is te voorzien van concrete voorbeelden

1.   De deelnemers kiezen gezamenlijk een vraag.

De gespreksleider vraagt de deelnemers een voorbeeld op te schrijven dat betrekking heeft op de vraag. In de context van deze dag is het voorbeeld een concrete kunstbeleving. De kunstbeleving moet een concrete ervaring van een deelnemer uit het verleden zijn. Het kan gaan om een kunstwerk op locatie dat zojuist is beleefd, maar ook om een eerdere kunstbeleving van ander werk elders.

2.  Een beperkt aantal kunstbelevingen wordt uitgewisseld. Deelnemers dragen argumenten aan wat volgens hen de meest geschikte kunstbeleving is en selecteren er een.

3.  Deelnemers verhelderen de kunstbeleving door het stellen van vragen aan de voorbeeldgever: Waar was je? Met wie? Wat deed je? Hoe voelde je je? Wat dacht je?

4.  Het hittepunt van de geselecteerde kunstbeleving wordt gevangen in een kernbewering, die de vorm heeft: ‘Toen ….(hittepunt), deed/dacht/voelde ik …, want ….’ De docent/ gespreksleider schrijft deze bewering op het bord. Alle deelnemers schrijven deze bewering op en verplaatsen zich in de situatie van de voorbeeldgever.

5.  Een aantal deelnemers spreekt de eigen kernbewering uit. De docent/gespreksleider vraagt naar de regel (rechtvaardiging) die uit iedere bewering gedestilleerd kan worden en schrijft deze regels op het bord.

6.  In deze fase tracht de gespreksleider de deelnemers naar aanleiding van de regels gezamenlijk tot principes (levensinzichten, een overtuiging hoe het leven volgens jou in elkaar zit) te laten komen. Principes rechtvaardigen de regels. De docent schrijft de principes op het bord, en kan hier vragen stellen als: kan iedereen met deze uitspraak instemmen? Is dit een antwoord op de uitgangsvraag?

7.  De docent/gespreksleider gaat na in hoeverre er consensus bestaat over de regels en rechtvaardigingen. Hij kan de deelnemers ook nog vragen naar de essentie van het gesprek: ‘Wat vonden jullie belangrijk?’, ‘Wat kun je ermee in toekomstige situaties?’

8.  In deze afsluitende fase vraagt de docent/gespreksleider de leerlingen om na te gaan of de regels en principes ook gerelateerd kunnen worden aan het kunstwerk.

» Filosoferen over een kunstwerk: hoe pak je het aan?
» Stappen in het socratische gesprek naar aanleiding van een kunstbeleving
» Training socratisch gespreksleider ‘Filosoferen over kunst’
» Mogelijke thema’s voor socratische gesprekken naar aanleiding van een kunstbeleving